DE JONGEN, DIE GRAAG POEDELS ZIET VALLEN
Kegelen wordt wel omschreven als een vergroot soort knikkerspel, waarbij een bal met een flinke vaart over een gladde baan wordt gerold om zo de kegels die aan het einde van die baan staan opgesteld, omver te werpen. Het moet een heel oude sport zijn en er worden allerlei mooie verhalen over opgedist. Vierduizend jaar voor onze jaartelling zouden er al in Egypte jongelieden met ballen gegooid hebben naar iets wat dan op een kegel zou lijken. Natuurlijk speelden (dat hoort bij zo’n geschiedenis) de Germanen ook graag hun spelletje kegel. Die Germanen waren zeer bedreven in het werpen met knotsen naar een bepaald doel; en daarin moet men dan het ontstaan van het latere kegelen zoeken. Toen de knotsen uit de mode raakten, werd met knoken, stenen, stokken, schijven en ten slotte met ballen gegooid. Die knoken verdienen extra aandacht. Ter ere van de bekende Wodan werden krijgsgevangenen, en bij gebrek hieraan paarden, geofferd. Zou het dan zo verwonderlijk zijn, dat nadat het vlees van de paarden opgepeuzeld was, men met de overgebleven beenderen wat ging gooien en smijten om zich zo sportief te ontspannen?
Toen het christendom hier zijn intrede deed, werd er weer gekegeld. Men trof overal heidense tempels aan, gevuld met beelden van goden en godinnen, overblijfsels van de Romeinse overheersing. Zou de jeugd, zoals een goede jeugd betaamt, bij het zien vernietigen van de afgodsbeelden niet graag een handje hebben meegeholpen?
Frans Sagers, die rond de eeuwwisseling veel gedaan heeft voor de opleving van de kegelsport, vond het als een paal boven water staan dat wanneer een heidense tempel werd opgeruimd de kwajongens er vermaak in schepten om Janus met zijn dubbele gezicht, Pan met de bokkenpoten, Hercules met de flinke kuiten, Terminus zonder voeten en alle dikke en dunne, vette en magere, schone en afzichtelijke goden en godinnen, die zij konden bemachtigen, tot mikpunt te kiezen. En held werd natuurlijk hij die het beste naar de in rij opgestelde beelden kon gooien. Zo beoefende men het kegelspel.
Allemaal prachtige theorieën over het begin van deze sport. Op den duur ontstond het kegelen, zoals wij dat nu kennen: een aanval op wat in het Frans een bataillon carré heet met de bevelhebber, de koning, in het midden; de kegel die men het liefst wenst te treffen. In onze gewesten kwamen overal kegelbanen, bij dorpsherbergen, in pleziertuinen, op buitenplaatsen. In het zuiden van onze streken werd het kegelen meer beoefend dan in het noorden. Daar werd op feestdagen om een prijs gespeeld, meestal om een zilveren voorwerp; en als er niet zo veel afkon, bestonden de prijzen uit hammen, worsten of wollen buizen. Zo speelden borgers en dorpers graag dit spel. Ook in de buitenlucht, waarbij een glaasje bier goed kon smaken – zoals oude platen en prenten laten zien.
Intussen mogen wij wel eens nagaan of wij het kegelen wel beheersen. Zo gemakkelijk is dat niet. Dat wist Frans Sagers, die we al noemden, reeds in 1897. Hij stuurde toen een antwoord in op een prijsvraag uitgeschreven door de kegelclub De Kroon in Haarlem en gaf meteen een eerste lesje weg. “Toen wij onzen eersten bal zouden werpen, dachten wij niet dat het zoo lastig was om den bal op de planken baan te houden, en maakten, zooals ieder kegelaar zeer zeker meer dan eens in zijn leven gedaan heeft, den eersten poedel, gevolgd door nummer 2, 3, 4 enzovoort. Het wilde niet gelukken de kegels volgens de regelen der kunst te doen vallen. Eindelijk ontfermde zich een veteraan van het regiment der kegelaars over ons, en tekende met een stuk krijt een dikke punt aan het voeteinde in het midden der loopplank, terwijl hij op ongeveer twee meter afstand daarboven, ook in het midden een tweede stip zette. “Denk nu niet aan de kegels”, zeide hij, “en gooi uw bal over deze twee punten, gij zult zien, dat gij geen poedel gooit?” Wij deden aldus. De bal rolt “gradaus”over de twee vizieren heen en velt de drie middenkegels. “Koekkoek”de voorspelling was uitgekomen! “Zet nu uw bal een weinig bezijden deze punten op” was het volgende bevel. Thans kwam de bal in de rechterpoort (ieder kegelaar weet wat dit betekent) en tot onze grote voldoening zagen wij “alle negen”vallen. Het geheim om den bal op de plank te houden was ons ontsluierd. Weldra deden wij de ondervinding op, dat het niet toevallig is hoeveel houten men maakt. Er behoort bij het kegelspel wel degelijk behendigheid, en alles berust op berekening”. Zo, nu heeft u eens van een kenner gehoord, hoe u moet leren spelen. Maar wel opgepast. Want er dreigen gevaren, zo vertelt Sagers. Toen het kegelspel nog in de buitenlucht gespeeld werd, kon de sport, matig en met overleg gespeeld, veel bijdragen tot de bevordering van de gezondheid. Maar het kegelen geschiedde later op binnenbanen. En dat zou, zo werd ons verteld, heel wat minder gezond zijn. “Het uitsluitend gebruiken van den rechter- of linkerarm zoude het scheef worden der wervelkolom of wel een hoogen stand van den rechter- of linkerschouder kunnen na zich slepen. Bejaarde kegelaars kunnen wel degelijk nadeelen ondervinden door overspanning van zenuwen en spieren. Men moet niet te lang achtereenvolgens kegelen de bal moet in overeenstemming met de lichaamskracht, en geen winstbejag of weddingschappen de drijf-veer zijn! Een te krachtige worp met eenen te zwaren bal veroorzaakt soms hartkloppingen, en zouden zelfs een plotselingen door ten gevolge kunnen hebben”.
De Koninklijke Nederlandsche Kegel Bond, opgericht in 1909, heeft momenteel iets meer dan tien-duizend leden, verdeeld over 780 clubs, met een uitvoerig wedstrijdreglement bestaande uit honderd-twintig artikelen. Men kent bondskampioenschappen voor dames en voor heren, clubkampioenschappen voor damesclubs, herenclubs en gemengde clubs en persoonlijke kampioenschappen voor dames en heren In dat reglement worden regels gegeven voor de banen, de ballen en de kegels. Om met de kegels te beginnen. De middellijn van de kegels moet 0,075 meter bedragen; zij moeten 0,47 meter lang zijn, terwijl de Koning (natuurlijk met een hoofdletter geschreven) 0,55 meter lang moet zijn. De kegels moeten zijn vervaardigd van steenbeukehout of kunststof volgens een vastgesteld model en ieder stel kegels moet een eenheidsgewicht hebben van elf kilogram. De kegels worden opgesteld in een ruit met als nummer 1 de voorste kegel, nummer 2 en 3 de linker en de rechter voorkegel, nummer 4 en 6 de linker en rechter hoekkegel, nummer 7 en 8 de linker en rechter achterkegel, nummer 5 de middenkegel en de 9 de achterste kegel. Mocht het u onduidelijk zijn dan zal een zeer eenvoudige tekening, die u zelf vervaardigt, alles duidelijk maken. In de taal van kegelaars en kegelaarsters heet nummer 1 Zweet vanwege het feit dat deze kegel het het zwaarst te verduren heeft, de nummers 2, 3, 7 en 8 worden vereerd met de mooie naam Duifjes, nummer 5 is de Koning, ook wel de Lange, terwijl 4, 6 en 9 de naam van Boeren dragen. De kegelballen moeten van pokhout, kunststof of geperst hout zijn; voor elke baan moet tenminste een kegelbal met recht of hol duimgat in de maten 22 tot en met 24 centimeter diameter aanwezig zijn; grotere ballen dan van 24 centimeter diameter zijn niet geoorloofd. De lengte van de baan van hartstreep tot hartplateau (is hartkoning) bedraagt 16,45 meter en de lengte van hartplateau tot achter-zijde van de baan is 0,55 meter.
Toen de kegelclub De Kroon in Haarlem aan het einde van de vorige eeuw de prijsvraag uitschreef, stuurde A.W. Schols een kluchtspel met zang in een bedrijf in, getiteld De Wedstrijd in den huize Kegellust. Het werd bekroond met een zilveren medaille. Het genre was in die tijd zeer geliefd en reken maar dat zo’n kluchtspel, hoe belachelijk flauw wij het nu ook mogen vinden, heel wat malen werd opgevoerd. In deze klucht, waarin naast kegels heel wat drank voorkomt, zijn weduwenaar Treffer met zijn dochter Kegelitia, weduwe mevrouw Poedel met haar vier dochters en de kegelaars Koekoek, Kees, Japie, Dreumes en Droppie net bediende Spons de helden. Het stuk verdient ook onze aandacht omdat er een mooi liedje op de letters van het alfabet geschreven, in voorkomt. Een stukje denksport dat nu helemaal niet meer bestaat, maar dat eens op jongelingsverengingen en bij bruiloften en partijen op alle manieren werd beoefend. Met veel resultaten voor de scheppers. Menigeen zal nog wel vage herinneringen hebben aan die alfabetten. Vandaar dat we hier die over het kegelen maar eens opnoemen. Als vermaak en als herinnering.
A is Alle negen, het hoogste record
B zijn de Ballen, Banen en het Bord
C de Consolatie, niet bestemd voor ‘t poedelen
D ’t Doel van kegelen, wie durft het bezoedelen
E d’Ereprijs voor ’t hoogste aantal hout
F is het Feestdiner, de spijzen doorgaans koud
G is de Goot, waar de ballen in retourneren, om
H de Houten, opnieuw te bombarderen
I is d’Inleg, voor de seriekaatsballen
J is de Jongen, die graag poedels ziet vallen
K is de Koning alsook het korpswed
L is de Lat, waar men de voet tegenzet
M de Matras, waar de ballen op stuiten
N de Negenprijs, betaald met je duiten
O is de Opzet, vóór de streep uit je hand
Q de Quitantie voor de huur van de baan
R het Reglement waar d’artikelen in staan
S is de Spons in het netje aan de muur
T zijn de Treffers, je winner op den duur
U d’Uitreiking der prijzen, na de strijd
V is het vijftal, dat zich er mee verblijdt.
W is ’n wedstrijd aan de orde van de dag
X rijmt op "riks" waar je "vrij" voor gooien mag.
Y is de IJver van ’t Bestuur van de Bond
Z is de Zinspreuk: "Kegelen maakt gezond".
Waar dit geweldig mooie stukje proza vandaan komt weet ik niet, maar ik vond het te mooi om niet te plaatsen. Mocht er iemand zijn die weet waar het vandaan komt dan hoor ik dat graag.